Whatsapp mij!

Een sprookje tussendoor


Er was eens…
 
…in een land van lange wegen, open luchten en kleine dorpen een jongen van tweeëntwintig jaar. Voor het gemak noemen we hem Tim.
 
Tim was geen luidruchtige held zoals in oude verhalen. Hij droeg geen zwaard en reed niet op een paard. Zijn stalen ros was een motor, en elke ochtend reed hij daarmee naar zijn stage in een stadje verderop. Aan het einde van de dag reed hij weer terug naar huis.

Hij was een rustige jongen. Niet uitbundig, maar bedachtzaam. Grappig wanneer het kon, serieus wanneer het moest. Hij werkte bij een groot pakketbedrijf en had al jaren een vriendin met wie hij graag ritjes maakte op zijn motor. Verder hield hij van gamen en skiën, en hij studeerde om later mensen te helpen.
Soms dachten zijn ouders glimlachend: “Doe toch eens iets geks jongen. Ga naar een groot feest, leef een beetje wild.” Maar Tim vond het leven al mooi genoeg zoals het was. En zo leek zijn verhaal rustig verder te gaan.

Tot op een ochtend in oktober...

De zon was nog maar net wakker toen Tim op weg ging naar zijn stage. De weg lag stil voor hem, zoals zo vaak. In de verte zag Tim een grote zwarte Dodge RAM naderen. Een kolos van staal die over de weg kwam gereden. Hij probeerde oogcontact te maken met de bestuurder, maar hun blikken ontmoetten elkaar niet. Iets in hem zei dat hij voorzichtig moest zijn.
Daarom liet hij het gas al wat los en stuurde zijn motor zo ver mogelijk naar rechts. Maar verder kon hij niet uitwijken. Langs de rand van de weg stonden hoge bomen, dicht tot aan het asfalt. Hun dikke wortels kronkelden uit de grond en drukten het asfalt aan de zijkant van de weg omhoog. Als hij nog verder naar rechts zou gaan, zou zijn motor daarop wegglijden.

En toen, in een enkel ogenblik, was daar de grote zwarte Dodge. Veel te dichtbij.

De kolos week niet uit. Hij kwam recht op Tim af, alsof de bestuurder hem werkelijk niet zag. In een harde, onverbiddelijke klap raakte het staal zijn motor. De stalen treeplank aan de zijkant van de auto bracht hem een zware wond toe, zodat zijn been op akelige wijze werd gebroken.
De wereld tolde om hem heen terwijl hij op het koude asfalt terechtkwam. Zijn been lag in een vreemde hoek en de pijn schoot als bliksem door zijn lichaam. Verward, geschrokken en vol ongeloof riep hij steeds weer, tegen iedereen die het maar horen kon:

“Ik reed op mijn eigen helft! Ik reed op mijn eigen helft!”
 
De eerste die bij hem kwam, was een vrouw uit een nabij dorp. Ze werkte in de zorg en had een hart dat sneller reageerde dan haar voeten. Ze knielde bij Tim neer en bleef bij hem zitten, zodat hij niet alleen was. Even later kwam er een man bij die net klaar was met zijn nachtdienst bij de ziekenwagen. Ook hij bleef bij Tim wachten.

De bestuurder van de grote zwarte Dodge liep naar Tim toe en zei: “Ach kerel… ik heb je helemaal niet gezien.”

Hij zei het even later nog eens tegen iemand anders die daar stond, maar Tim kon niet zien tegen wie.
Niet lang na de klap kwamen de wachters van de orde naar de plek waar Tim op de weg lag. Hun taak was om te ontdekken wat er gebeurd was en de waarheid te bewaren, zodat recht kon worden gedaan. Maar terwijl Tim nog op de grond lag, spraken zij vooral met de bestuurder van de grote zwarte Dodge. Ze schreven dingen op in hun boeken en knikten bedachtzaam. Niemand kwam bij Tim zitten om hem te vragen wat er was gebeurd.
Niemand vroeg hem naar zijn verhaal.

Niet veel later kwam ook de kroniekschrijver van het land langs. Zijn werk was om gebeurtenissen op te schrijven, zodat de mensen in het koninkrijk wisten wat er werkelijk gebeurde. Maar de wachters stuurden hem weg. “Ga maar verder,” zeiden ze. “Het is maar een simpel ongeluk. Niets bijzonders om over te schrijven.”
En zo vertrok de kroniekschrijver weer, zonder dat het verhaal van die ochtend werd opgetekend.
 
Later, toen Tim al in het ziekenhuis lag en zijn ouders probeerden te begrijpen wat er gebeurd was, hoorden zij iets vreemds. De wachters van de orde hadden gezegd dat zij niet konden ontdekken wie schuld had aan het ongeluk.
En ergens werd zelfs gefluisterd: “In dit soort gevallen gaan we er vaak vanuit dat de jonge ruiter op de motor wel fout zal zitten.”

Maar niemand had Tim ooit gevraagd wat hij had gezien. Wat er was gebeurd die ochtend. Niemand had zijn woorden opgeschreven. De bestuurder van de zwarte Dodge was eerst nog vriendelijk geweest. Hij had gezegd dat hij Tim niet had gezien en dat hij graag op de hoogte gehouden wilde worden hoe het verder met hem ging.

Maar daarna werd het stil…
 
Ondertussen kwam de ziekenwagen. De genezers zagen meteen dat Tim een zware, open beenbreuk had. Om hem te kunnen vervoeren moesten ze zijn been voorzichtig recht leggen. Toen ze dat deden, begon het bloed hevig te stromen. Snel legden ze een strakke band om zijn been zodat hij niet zou leegbloeden. Met loeiende sirenes brachten ze hem naar het grote ziekenhuis in de stad. In een handschoen namen ze zelfs enkele botsplinters van de weg mee, in de hoop dat ze die misschien nog konden gebruiken.

Vanaf dat moment begon een lange strijd.

De genezers deden hun uiterste best. Ze probeerde alle botsplinters als een puzzel in elkaar te leggen. Ze bouwden een ingewikkelde stellage rond zijn been. Ze verplaatsten huid van zijn heup naar zijn kuit om de wond te sluiten.

Maar het herstel was zwaar.

Tim moest operaties ondergaan. Hij kreeg infecties. Hij moest opnieuw naar het ziekenhuis. En opnieuw. Soms leek het beter te gaan. Soms juist helemaal niet. Er bleek een stuk bot van wel zeventien centimeter te ontbreken. En terwijl Tim vocht om weer te kunnen lopen, gebeurde er buiten het ziekenhuis iets vreemds.
 
Het werd stil….
 
De bestuurder van de zwarte Dodge liet niets meer van zich horen. De wachters van de orde kwamen nooit bij Tim om zijn verhaal te horen. En de mensen die erbij waren geweest, trokken zich langzaam terug. Niemand wilde gedoe. Niemand wilde ruzie.

Het was tenslotte niet hun verhaal.

Zo verstreken de maanden...
Tim kon zijn studie niet afmaken. Hij kon niet werken. Hij lag zo lang stil in zijn bed, dat de dagen traag voorbijgleden en de verveling als een kleine donkere geest bij zijn bed kwam zitten. Zijn toekomst was onzeker. De genezers wisten zelfs nog niet zeker of zijn been volledig zou herstellen.

En toch bleef er ergens diep vanbinnen een klein licht branden. Het licht van hoop. En van een vraag die door het hele land zou moeten klinken. Want stel je eens voor dat het jouw kind was dat daar lag. Stel je voor dat het jouw verhaal was dat niemand wilde horen.

Zou je dan ook zwijgen?
Of zou je opstaan?

Want elk sprookje, oud of modern, leert ons uiteindelijk hetzelfde: Dat helden niet altijd ridders zijn. Soms zijn het gewone mensen. Mensen die durven te zeggen wat ze gezien hebben. Mensen die de waarheid vertellen. Mensen die niet wegkijken wanneer iets onrechtvaardig is. Want een koninkrijk wordt niet alleen rechtvaardig door koningen en wachters.

Het wordt rechtvaardig doordat gewone mensen het juiste doen. Zelfs wanneer dat moeilijk is. Zelfs wanneer het niet hun eigen verhaal lijkt.

En misschien…

is dit sprookje nog niet afgelopen. Maar één ding is zeker:
Elke goede afloop begint met iemand die de moed heeft om het juiste te doen.

- Carmen de Haan -